In het kader van de zoektocht naar bijkomende overheidsinkomsten voorziet de federale regering in een hervorming van de fiscale behandeling van dividenduitkeringen. Daarbij worden ook de vandaag gunstige regimes van VVPRbis en liquidatiereserves geviseerd.

De plannen maken deel uit van het regeerakkoord van de regering onder leiding van Bart De Wever en zullen worden uitgewerkt via een programmawet die naar verwachting in het voorjaar van 2026 het parlementaire traject zal doorlopen.

1. Wat staat er concreet op de planning?

Volgens de huidige informatie wil de regering de tarieven verhogen op toekomstige voordelige dividenduitkeringen:

  • dividenden uitgekeerd onder het VVPRbis-regime;

  • uitkeringen uit liquidatiereserves door vennootschappen in going concern.

Het gaat uitdrukkelijk om toekomstige uitkeringen. Er is op dit moment geen bevestiging dat reeds aangelegde reserves of eerder toegekende aandelen retroactief zwaarder belast zouden worden. De precieze modaliteiten moeten echter nog worden vastgelegd in de wettekst.

2. Wanneer treden de wijzigingen in voege?

De verhoging zal worden ingevoerd via een programmawet, die traditioneel meerdere fiscale en budgettaire maatregelen bundelt. Indien het gebruikelijke wetgevend traject wordt gevolgd, mogen de nieuwe regels ten vroegste vanaf 2026 worden verwacht.

Belangrijk daarbij is dat:

  • de definitieve tarieven nog niet gekend zijn;
  • ook de overgangsmaatregelen (indien voorzien) nog moeten worden verduidelijkt;
  • pas na publicatie in het Belgisch Staatsblad volledige rechtszekerheid bestaat.

3. Wat betekent dit voor vennootschappen?

Voor vennootschappen die dividenduitkeringen plannen via VVPRbis of liquidatiereserves, is het aangewezen om:

  • geplande uitkeringen tijdig te evalueren;
  • samen met de accountant of adviseur te bekijken of een uitkering vóór de inwerkingtreding aangewezen is;
  • rekening te houden met het bredere financiële en fiscale plaatje, niet enkel met het tarief op zich.

Overhaaste beslissingen zijn daarbij af te raden zolang de concrete wetgeving niet gekend is.

Besluit: De aangekondigde verhoging van de tarieven op VVPRbis-dividenden en liquidatiereserves kadert in een bredere fiscale hervorming, maar bevindt zich voorlopig nog in de planningsfase. Pas in de loop van 2026 zal duidelijk worden hoe de maatregelen er exact zullen uitzien en vanaf wanneer ze van toepassing zijn. Tot zolang blijft het aangewezen om de evoluties op te volgen en geplande dividendstrategieën tijdig te bespreken met een professionele adviseur.

4. Uitkering van liquidatiereserves

Kleine vennootschappen (volgens de grootcriteria van artikel 1:24, §§ 1–6 WVV) kunnen bij de resultaatbestemming opteren om een liquidatiereserve aan te leggen uit de boekhoudkundige winst van het boekjaar. Bij de aanleg van deze reserve is een anticipatieve heffing van 10% aan vennootschapsbelasting verschuldigd.

De programmawet voorzag reeds in specifieke tarieven van roerende voorheffing (RV) bij de uitkering van liquidatiereserves door vennootschappen in going concern. Daarbij werd een onderscheid gemaakt naargelang de liquidatiereserves werden aangelegd vóór dan wel vanaf 1 januari 2026.

Het recent begrotingsakkoord behoudt dit onderscheid tussen een ‘oude’ en een ‘nieuwe’ regeling, maar verschuift het scharniermoment van 1 januari 2026 naar 31 december 2025.

Verhoging van de belastingdruk voor nieuwe liquidatiereserves
Voor liquidatiereserves die worden aangelegd vanaf 31 december 2025, stijgt bij uitkering in going concern na het verstrijken van de driejarige behoudtermijn de totale belastingdruk van 15% naar 18%, voor boekjaren die afsluiten vanaf 30-12-2025.
Concreet zal deze belastingdruk van 18% bestaan uit:

  • 10% anticipatieve heffing bij de aanleg van de liquidatiereserve;
  • 9,8% roerende voorheffing bij uitkering na minstens drie jaar behoud.

Deze verhoging van de roerende voorheffing (van 6,5% naar 9,8%) is niet van toepassing op liquidatiereserves die zijn aangelegd tot en met 30 december 2025.
Door deze aanpassing wordt de belastingdruk op liquidatiereserves die na drie jaar worden uitgekeerd gelijkgeschakeld met die van een VVPRbis-dividend na drie jaar.

Gevolgen voor boekjaren die samenvallen met het kalenderjaar
Vennootschappen waarvan het boekjaar samenvalt met het kalenderjaar, vallen voor liquidatiereserves aangelegd op 31 december 2025 (beslissing algemene vergadering in 2026) reeds onder de nieuwe regeling.
In dat geval geldt:

  • 10% anticipatieve heffing bij aanleg;
  • na een behoud van minstens drie jaar: uitkering mogelijk tegen 9,8% RV;
  • bij uitkering vóór het verstrijken van de behoudtermijn blijft het standaardtarief van 30% RV van toepassing;
  • uitkeringen van liquidatiereserves bij ontbinding van de vennootschap blijven volledig vrijgesteld van roerende voorheffing.

Door de verhoging van het RV-tarief stijgt de gecombineerde belastingdruk op winstuitkeringen (vennootschapsbelasting + roerende voorheffing).

5. Uitkering van VVPRbis dividenden

Vennootschappen die in aanmerking komen voor de zogehete VVPRbis aandelen zullen voortaan ook 18% roerende voorheffing dienen in te houden op dividenden die gebeuren vanaf 1 januari 2026 ongeacht wanneer de winsten werden bekomen.

In afwachting van de publicatie van deze wijziging in het Belgisch Staatsblad (verwacht maart 2026) blijft het oude tarief van 15% nog van toepassing.

Wat betekent dit voor jou als ondernemer?

De geplande wijzigingen hebben vooral impact op toekomstige winstuitkeringen. Voor kleine vennootschappen wordt de timing van de aanleg van liquidatiereserves belangrijker.

Een liquidatiereserve blijft een interessant instrument, maar vraagt voortaan een meer doordachte keuze in functie van timing en uitkeringsstrategie.

We begrijpen dat dit complexe materie is, we staan voor je klaar.

We willen je graag leren kennen

Start je met een eigen zaak? Of heb je nood aan fiscale en financiële begeleiding? We luisteren naar je verhaal en bouwen samen met jou aan een ambitieuze toekomst.